Rapport uniquement disponible en néerlandais.
 

Inleiding

In september 2008 startten Management Information en de Universiteit Antwerpen een interdisciplinair project met als titel : Evoluties en actuele trends in opleidingsland. Management Information voert regelmatig studies uit over zowel opleidingsvraag- als aanbod in België, en wilde, in het licht van de toen beginnende economische crisis de uitdagingen en opportuniteiten in de opleidingssector onderzoeken. Vijf studenten van de Universiteit Antwerpen, en meer bepaald het Instituut voor Onderwijs- en Informatiewetenschappen, werkten aan het onderzoek.

Zowel aanbieders van opleidingen als bedrijven die opleidingen inkopen werden onder de loep genomen.

Voor de aanbodzijde werden 352 Qfor-rapporten, verdeeld over 2006, 2007 en 2008 in detail geanalyseerd. Voor de vraagzijde werd een enquête verstuurd naar 1300 VTO-verantwoordelijken van bedrijven, waarvan 141 beantwoordden. De enquête werd verstuurd in januari 2009, toen de economische crisis al goed voelbaar was.

De resultaten van deze studie werden gepresenteerd tijdens het eerste deel van het Learning Event dat op 16 juni plaatsvond in Brussel.

Klik hier voor de Powerpoint - presentatie.

Abstract

Vlaanderen situeert zich nog steeds onder het Europese streefdoel van de Lissabondoelstelling. Deze doelstelling vereist dat minstens 12,5 % van de actieve beroepsbevolking dient deel te nemen aan levenslang leren. Dit onderzoek, in samenwerking met de externe opdrachtgever ManagementInformation, brengt de Belgische opleidingsmarkt in kaart om dit beeld te kunnen actualiseren. Op basis van een literatuuronderzoek naar de belangrijkste aspecten van de opleidingsmarkt worden vijf onderzoeksvragen opgesteld. Om deze te beantwoorden worden de resultaten van een kwantitatieve enquête, in combinatie met de door Management Information opgestelde Qfor-rapporten, geanalyseerd. Hieruit blijkt dat de klassieke opleidingsvormen nog steeds primeren. Langs de vraagzijde zijn de respondenten vragende partij voor alternatieve, niet klassiekeopleidingsvormen en kan naar de toekomst toe een daling verwacht worden van de vraag naar klassieke opleidingsmethodes. Bedrijven vragen meer en meer opleidingen binnen het domein van management en informatica. Het onderzoek toont aan dat het merendeel van de respondenten beschikt over een schriftelijk vastgelegd opleidingsplan. Bovendien blijkt dat het grootste deel van de bedrijven met een schriftelijk opleidingsplan rekening houdt met de Lissabondoelstelling. Er wordt tevens nagegaan welke selectiecriteria het meest doorslaggevend zijn voor bedrijven bij het bepalen van een opleidingsverstrekker. Hieruit komen de opleidingsinhoud, de prijs en de opleiding op maat naar voren als de belangrijkste criteria. Vervolgens wordt de positionering van EFQM, ISO en Qfor nagegaan. Hieruit komt Qfor met een lichte voorsprong naar voor als het belangrijkste kwaliteitslabel. Tot slot concluderen we dat Betaald Educatief Verlof en Sectorgebonden subsidies door bedrijven de meest gebruikte subsidies voor de inkoop van opleidingen zijn.

Opleidingsvormen

De analyse van de opleidingsvormen in de 352 Qfor-rapporten stelt dat een in-company opleiding het meest aangeboden wordt door opleidingbureaus (81,8 %). Op de tweede plaats worden open opleidingen aangeboden (76,6 %). Opmerkelijk is dat e-learning en multimedia zeer beperkt gebruikt worden als opleidingsmethode door de opleidingbureaus (3,7 %). In de aanbodzijde kent E-learning een gestage groei. In 2006 werd deze vorm niet of amper toegepast, in 2008 werd het door 6,8 % van de opleidingsverstrekkers gehanteerd als opleidingsvorm.

Grafiek van de opleidingsvormen

Quasi alle bevraagde respondenten (97,2 %) van de enquête geven aan dat zij hun opleidingen vooral laten volgen onder de vorm van een klassieke opleiding. Werkplekleren is de daaropvolgende meest gebruikte opleidingsvorm. Hoewel in de literatuur het belang van blended learning werd aangehaald, blijkt dat maar 41 % van de respondenten deze opleidingsvorm hanteert om haar werknemers op te leiden. 7 % haalt ook andere opleidingsvormen aan zoals telefoonleren, projectwerk en stages.

De respondenten hebben aangegeven dat ze in de toekomst de klassieke opleidingsvorm minder wensen toe te passen. Werkplekleren blijft in de toekomst nog altijd belangrijk, maar het percentage wordt lager ingeschat. Er wordt naar de toekomst toe verwacht dat zelfstudie, als opleidingsvorm, met de helft zal verminderen en blended learning aan belang zal toenemen. Er wordt dus verwacht dat niet-klassikale opleidingen in de toekomst zullen afnemen en methodes zoals blended learning, e-learning en werkplekleren zullen toenemen.

Opleidingsbeleid

Uit de resultaten kan afgeleid worden dat hoe groter het bedrijf, hoe meer bedrijven over een schriftelijk vastgelegd opleidingsbeleid beschikken. Binnen de grote bedrijven beschikt 84,5 % over dergelijk opleidingsbeleid, gevolgd door 79,3 % van de middelgrote bedrijven. Tot slot beschikt minder dan de helft van de kleine bedrijven over een opleidingsbeleid (44,4 %). Dit bevestigt de gestelde hypothese dat voornamelijk grote bedrijven over een schriftelijk vastgelegd opleidingsbeleid beschikken. Algemeen kunnen we stellen dat 80,9 % van de respondenten werkt in een bedrijf dat gebruik maakt van een schriftelijk vastgelegd opleidingsbeleid.

Wie volgt training?

De frequentieverdeling van de verschillende functieprofielen voor opleidingen in 2008 geeft aan dat de groep bedienden het sterkst vertegenwoordigd is13. 97,2 % van de bevraagde respondenten geeft aan dat bedienden een opleiding volgden. Het middle management is goed voor 92,9 %, daar waar het topmanagement overeenkomt met 82,3 %. Slechts 57,4 % van de bevraagden geeft aan dat arbeiders een opleiding volgden. Het management is goed voor 92,9 % (top-level) en 82,3 % (mid-level), maar minder belangrijk dan de groep bedienden.

Evolutie van de budgetten

Een belangrijk aspect met betrekking tot het opleidingsbeleid is het voorziene opleidingsbudget. De gegevens van de respondenten die voor zowel 2008 als 2009 het voorziene budget opgaven, werden met elkaar vergeleken. Het gemiddelde budget van 2008 bedroeg 637 465,39 euro. In 2009 werd gemiddeld 527 027,98 euro voorzien voor opleiding.

Selectiecriteria

Aan de bedrijven werd gevraagd welke vijf van de 14 aangeboden selectiecriteria voor hen van doorslaggevend belang zijn in de keuze van een opleidingsorganisatie. Aan deze vijf selectiecriteria kenden de respondenten een afzonderlijke score toe. Een waarde vijf werd toegekend aan het meest doorslaggevende criterium, en waarde één staat voor het minst doorslaggevende criterium van de vijf, maar is wel relevant voor de keuze. ‘Opleidingsinhoud’ is het meest en hoogst gescoorde selectiecriterium. Voor 87,2 % van de respondenten is dit één van de vijf doorslaggevende criteria. Voor 44,7 % van de respondenten is ‘opleidingsinhoud’ zelfs het meest doorslaggevende selectiecriterium. Slechts voor 12,8 % van de respondenten behoort dit criterium niet tot één van de vijf belangrijkste selectiecriteria. Op de tweede plaats is ‘prijs’ voor 74,5 % van de respondenten een doorslaggevend criterium. Ten derde is voor 61 % van de respondenten het criterium ‘opleiding op maat’ ook één van de vijf doorslaggevende criteria. 12,8 % van de respondenten beschouwt dit criterium als het meest doorslaggevend. Twee andere selectiecriteria die naar voren komen zijn de ‘opleidingsmethodiek’ en de ‘trainer’.

Grafiek van selectiecriteria

Kwaliteitslabels

De meerderheid (90,1 %) van de respondenten beschouwt een kwaliteitslabel, kwaliteitscertificaat of andere erkenning niet als één van de vijf meest doorslaggevende selectiecriteria. Aan die respondenten die er wel belang aan hechtten, werd gevraagd naar de positie van Qfor ten opzichte van ISO en EFQM. Voor 31,9 % van de respondenten is Qfor het belangrijkste kwaliteitslabel. Op de tweede plaats volgt ISO met 19,1 % en ten derde EFQM met 7,1 %.

Subsidies

Globaal genomen doet 56,7 % van de bevraagde organisaties een beroep op Betaald Educatief Verlof (BEV). Indien er rekening gehouden wordt met de bedrijfsgrootte dan valt er vast te stellen dat 62,1 % van de werknemers in grote bedrijven gebruik maakt van BEV, 48,3 % in middelgrote bedrijven en slechts 22,2 % in kleine bedrijven. Op de tweede plaats volgen de sectorgebonden subsidies met 46,8 %. De sectoren die het meest gebruik maken van deze subsidie zijn de non-profit sector (80 %), de industrie (64 %), andere sectoren (50 %) en diensten (46,4 %). Bij de overheid wordt het minst beroep gedaan op sectorgebonden subsidies (4,5 %).

Opleidingscheques voor werknemers scoren met 15,6 % aan de lage kant in dit onderzoek. Aangezien opleidingscheques een initiatief zijn van de Vlaamse Gemeenschap kan dit specifiek voor Vlaanderen bekeken worden. 18,1 % van de Vlaamse bedrijven maakt gebruik van opleidingscheques voor werknemers. De opleidingscheques van de Vlaamse gemeenschap worden ook door 11,1 % van de Waalse bedrijven en 12,1 % van de bedrijven in Brussel gebruikt. Het lage globale percentage voor ‘Chèques Formation Région Wallonne’ (5 %) kan mede verklaard worden door het kleine aantal Waalse bedrijven dat deel heeft genomen aan de enquête. Slechts 18 van de 141 respondenten waren gevestigd in Wallonië. Van deze 18 bedrijven doet 27,8 % beroep op deze subsidie. Globaal doet 5 % van de respondenten beroep op opleidingssubsidies van het Brussels Gewest. Wanneer we kijken naar bedrijven die gevestigd zijn in Brussel, is dit 12,5 %. Verder bleek uit de enquête dat bijna 70 % vindt dat het beheer en de administratie van subsidiemaatregelen een hoge tijdsinvestering vraagt. Wel is bijna de helft van de ondervraagden ervan overtuigd dat subsidies een steun kunnen zijn bij laagconjunctuur. Het is echter wel opvallend dat een derde van de ondervraagden hier geen mening over heeft.

Subsidie Percentage
KMO portefeuille 12,8
Opleidingscheques voor werknemers 15,6
Betaald educatief verlof 56,7
Chèques formation Région wallonne 5
Sectorgebonden subsidies 46,8
Opleidingssubsidies Brussels Gewest 5
Geen 24,8
Andere 12,8

Bijlage

Profiel van de respondenten - vraagzijde

Grafiek van de bedrijfsgrootte Grafiek van de sectoren

Retour à la liste des études